network
net
ˈnɛt
net
work
wɜ:k
vēk
knitwork

Definitie en betekenis van "network"in het Engels

01

netwerk, computernetwerk

a number of interconnected electronic devices such as computers that form a system so that data can be shared 
network definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
networks
Voorbeelden
The company upgraded its computer network to improve communication among employees. 

Het bedrijf heeft zijn computernetwerk geüpgraded om de communicatie tussen werknemers te verbeteren.

02

netwerk, zender

a group of TV or radio stations broadcasting the same program at the same time in different places 
network definition and meaning
Voorbeelden
The popular show was aired on a national network, reaching millions of viewers. 

De populaire show werd uitgezonden op een nationaal netwerk, waardoor miljoenen kijkers werden bereikt.

03

netwerk, web

a group or system of interconnected people or things 
Voorbeelden
The company's network of suppliers ensures a steady flow of materials. 

Het netwerk van leveranciers van het bedrijf zorgt voor een gestage stroom van materialen.

04

netwerk, net

a fabric or mesh made by weaving together strands of string, rope, or wire at regular intervals 
Voorbeelden
The fisherman used a network of ropes to catch fish. 

De visser gebruikte een netwerk van touwen om vissen te vangen.

05

netwerk, web

a system of intersecting lines or channels that form a web-like structure 
Voorbeelden
The network of canals in the city helps manage water flow and prevent flooding. 

Het netwerk van kanalen in de stad helpt bij het beheren van de waterstroom en het voorkomen van overstromingen.

to network
01

netwerken, in een netwerk verbinden

to link devices or computers in a way that they can send and receive information 
Transitive: to network devices or computers
to network definition and meaning
Voorbeelden
Engineers networked the servers to enhance the efficiency of data processing. 

Ingenieurs netwerkten de servers om de efficiëntie van gegevensverwerking te verbeteren.

02

netwerken, contacten leggen

to interact or establish contacts with others for mutual assistance or support 
Intransitive: to network | to network with sb
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
network
3e persoon enkelvoud
networks
onvoltooid deelwoord
networking
onvoltooid verleden tijd
networked
voltooid deelwoord
networked
Voorbeelden
She networks with industry professionals to enhance her career prospects. 

Ze netwerkt met professionals uit de branche om haar carrièremogelijkheden te verbeteren.

03

uitzenden, netwerken

to broadcast a television or radio program simultaneously on stations in several different areas 
Transitive: to network a television or radio program
Voorbeelden
The news program was networked to ensure a wide audience. 

Het nieuwsprogramma werd genetwerkt om een breed publiek te verzekeren.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store