assist
a
ə
ē
ssist
ˈsɪst
sist
/əˈsɪst/

Definitie en betekenis van "assist"in het Engels

to assist
01

helpen, assisteren

to help a person in performing a task, achieving a goal, or dealing with a problem
Transitive: to assist sb with sth | to assist sb in sth
to assist definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
assist
3e persoon enkelvoud
assists
onvoltooid deelwoord
assisting
onvoltooid verleden tijd
assisted
voltooid deelwoord
assisted
Voorbeelden
Parents often assist their children with homework.
Ouders helpen hun kinderen vaak met huiswerk.
02

helpen, ondersteunen

to help or support someone in their tasks or responsibilities, often in a subordinate or secondary role
Transitive: to assist a superordinate
Voorbeelden
The intern assists the senior staff with research projects.
De stagiair assisteert het senior personeel bij onderzoeksprojecten.
03

helpen, ondersteunen

to provide help or support to someone or something
Intransitive: to assist with sth | to assist in sth
Voorbeelden
Nurses assist in taking care of patients around the clock.
Verpleegkundigen helpen bij de zorg voor patiënten 24 uur per dag.
01

hulp, ondersteuning

the activity of contributing to the fulfillment of a need or furtherance of an effort or purpose
assist definition and meaning
02

een assist, een doelpuntpass

a pass or action by a player that helps a teammate score a point or goal
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
assists
Voorbeelden
She recorded three assists in last night's basketball game.
Ze noteerde drie assists in de basketbalwedstrijd van gisteravond.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store