Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
The Lord
01
Heer, God
God, particularly in Christian, Jewish, and Islamic traditions, signifying authority and divine power
Voorbeelden
The Bible frequently refers to God as the Lord, highlighting His omnipotence and sovereignty.
De Bijbel verwijst vaak naar God als de Heer, wat Zijn almacht en soevereiniteit benadrukt.
Voorbeelden
In medieval times, lords controlled vast estates and had authority over the peasants who lived on their lands.
In de middeleeuwen beheersten heren uitgestrekte landgoederen en hadden gezag over de boeren die op hun land woonden.
03
heer, meester
a person who holds authority or power over others
Voorbeelden
Local lords controlled trade in the region.
Lokale heren controleerden de handel in de regio.
to lord
01
tot lord verheffen, de lord-titel verlenen
to grant someone the rank or title of lord
Voorbeelden
He was lorded after years of loyal counsel.
Hij werd tot lord verheven na jaren van trouw advies.
lord
01
Heer, Mijn God
used to express surprise, astonishment, or disbelief in reaction to unexpected events
Voorbeelden
Lord, I did n't see that coming!
Heer, dat zag ik niet aankomen!
Lexicale Boom
lordless
lordly
lordship
lord



























