Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ärgern
01
ergeren, irriteren
Jemanden wütend oder verärgert machen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
ärgere
3e persoon enkelvoud
ärgert
onvoltooid deelwoord
ärgernd
onvoltooid verleden tijd
ärgerte
voltooid deelwoord
geärgert
Voorbeelden
Du ärgerst mich mit deinen Fragen.
Je ergert me met je vragen.
02
zich ergeren, boos worden
Wütend oder verärgert über etwas werden
Voorbeelden
Ich ärgere mich über den Lärm.
Ik erger me aan het lawaai.



























