Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
zittern
01
trillen, beven
Schnelle, kleine Bewegungen des Körpers oder von Gegenständen aufgrund von Kälte, Angst, Schwäche oder Vibration
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
zittere
3e persoon enkelvoud
zittert
onvoltooid deelwoord
zitternd
onvoltooid verleden tijd
zitterte
voltooid deelwoord
gezittert
Voorbeelden
Der Hund zitterte unter dem Tisch während des Gewitters.
De hond trilde onder de tafel tijdens de onweersbui.



























