Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
zelten
01
kamperen, slapen in een tent
In einem Zelt schlafen oder übernachten, meist im Freien
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
zelte
3e persoon enkelvoud
zeltet
onvoltooid deelwoord
zeltend
onvoltooid verleden tijd
zeltete
voltooid deelwoord
gezeltet
Voorbeelden
Beim Urlaub in den Bergen zelten viele Familien.
Tijdens de vakantie in de bergen kamperen veel gezinnen.



























