Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
zeigen
01
tonen
Etwas sichtbar machen oder auf etwas hinweisen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
zeige
3e persoon enkelvoud
zeigt
onvoltooid deelwoord
zeigend
onvoltooid verleden tijd
zeigte
voltooid deelwoord
gezeigt
Voorbeelden
Der Lehrer zeigt die richtige Antwort.
De leraar toont het juiste antwoord.
02
wijzen, aanduiden
Mit dem Finger oder der Hand auf etwas hinweisen
Voorbeelden
Zeig auf das richtige Feld!
Wijs naar het juiste veld !
03
verschijnen
Sich sichtbar machen oder auftreten
Voorbeelden
Die Sonne zeigt sich nach dem Regen.
De zon laat zich zien na de regen.



























