Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
wollen
01
willen, verlangen
Einen starken Wunsch oder Willen ausdrücken
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
onregelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
will
3e persoon enkelvoud
will
onvoltooid deelwoord
wollend
onvoltooid verleden tijd
wollte
voltooid deelwoord
gewollt
Voorbeelden
Er will Arzt werden.
Hij wil dokter worden.
02
moeten, nodig hebben
Eine Notwendigkeit oder starke Empfehlung ausdrücken
Voorbeelden
Man will höflich bleiben.
Men wil beleefd blijven.
03
gaan, van plan zijn
Eine feste Absicht für die Zukunft ausdrücken
Voorbeelden
Er will nach Hause.
Hij wil naar huis gaan.



























