Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
wollen
01
willen, verlangen
Einen starken Wunsch oder Willen ausdrücken
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
onregelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
will
3e persoon enkelvoud
will
onvoltooid deelwoord
wollend
onvoltooid verleden tijd
wollte
voltooid deelwoord
gewollt
Voorbeelden
Ich will ein Eis.
Ik wil een ijsje.
02
moeten, nodig hebben
Eine Notwendigkeit oder starke Empfehlung ausdrücken
Voorbeelden
Du willst vorsichtig sein.
Jij wilt voorzichtig zijn.
03
gaan, van plan zijn
Eine feste Absicht für die Zukunft ausdrücken
Voorbeelden
Ich will morgen einkaufen.
Ik wil morgen winkelen.



























