Zoeken
wollen
01
willen, verlangen
Einen starken Wunsch oder Willen ausdrücken
Voorbeelden
Er will Arzt werden.
Hij wil dokter worden.
02
moeten, nodig hebben
Eine Notwendigkeit oder starke Empfehlung ausdrücken
Voorbeelden
Man will höflich bleiben.
Men wil beleefd blijven.
03
gaan, van plan zijn
Eine feste Absicht für die Zukunft ausdrücken
Voorbeelden
Er will nach Hause.
Hij wil naar huis gaan.


























