Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
wiegen
[past form: wog]
01
wegen, het gewicht meten
Das Gewicht von etwas oder jemandem messen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
wiege
3e persoon enkelvoud
wiegt
onvoltooid deelwoord
wiegend
onvoltooid verleden tijd
wog
voltooid deelwoord
gewogen
Voorbeelden
Der Arzt wiegt das Baby jeden Monat.
De arts weegt de baby elke maand.
02
wegen, een bepaald gewicht hebben
Ein bestimmtes Gewicht haben
Voorbeelden
Das Paket wiegt zu viel für den Versand.
Het pakket weegt te veel voor verzending.



























