Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
weggehen
01
weggaan, vertrekken
Einen Ort verlassen, sich entfernen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
weg
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe weg
3e persoon enkelvoud
geht weg
onvoltooid deelwoord
weggehend
onvoltooid verleden tijd
ging weg
voltooid deelwoord
weggegangen
Voorbeelden
Die Gäste sind schon weggegangen.
De gasten zijn al vertrokken.



























