Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vertrauen
[past form: vertraute]
01
vertrouwen, geloven
Jemandem oder etwas glauben und sich darauf verlassen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
vertraue
3e persoon enkelvoud
vertraut
onvoltooid deelwoord
vertrauend
onvoltooid verleden tijd
vertraute
voltooid deelwoord
vertraut
Voorbeelden
Du kannst ihm nicht mehr vertrauen.
Je kunt hem niet meer vertrouwen.
Das Vertrauen
[gender: neuter]
01
vertrouwen, geloof
Glaube an die Ehrlichkeit oder Zuverlässigkeit von jemandem oder etwas
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
ontelbaar
geslacht
onzijdig
genitiefvorm
Vertrauens
Voorbeelden
Sie genießt das Vertrauen ihrer Kollegen.
Zij geniet het vertrouwen van haar collega's.



























