Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
verlassen
01
verlaten, achterlaten
Einen Ort oder eine Person zurücklassen und weggehen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
sterk
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
lassen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
verlasse
3e persoon enkelvoud
verlässt
onvoltooid deelwoord
verlassend
onvoltooid verleden tijd
verließ
voltooid deelwoord
verlassen
Voorbeelden
Wir mussten das Gebäude sofort verlassen.
We moesten het gebouw onmiddellijk verlaten.
02
vertrouwen op, rekenen op
Jemandem oder etwas vertrauen
Voorbeelden
Sie verlässt sich auf ihre Freunde.
Zij vertrouwt op haar vrienden.



























