Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vergrößern
01
vergroten, uitbreiden
Etwas in seiner Größe oder Ausdehnung erhöhen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
größern
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
vergrößere
3e persoon enkelvoud
vergrößert
onvoltooid deelwoord
vergrößernd
onvoltooid verleden tijd
vergrößerte
voltooid deelwoord
vergrößert
Voorbeelden
Der Fotograf vergrößerte das Bild für die Ausstellung.
De fotograaf vergroting de foto voor de tentoonstelling.
02
vergroten, uitbreiden
In der Größe zunehmen
Voorbeelden
Die Bevölkerung der Stadt hat sich in den letzten 10 Jahren verdoppelt.
De bevolking van de stad is toegenomen in de afgelopen 10 jaar.
03
vergroten, uitbreiden
Größer werden
Voorbeelden
Der Knoten in der Brust hat sich vergrößert.
De knoop in de borst is vergroten.



























