Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vergrößern
01
vergroten, uitbreiden
Etwas in seiner Größe oder Ausdehnung erhöhen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
größern
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
vergrößere
3e persoon enkelvoud
vergrößert
onvoltooid deelwoord
vergrößernd
onvoltooid verleden tijd
vergrößerte
voltooid deelwoord
vergrößert
Voorbeelden
Kannst du diese PDF-Datei vergrößern? Sie ist zu klein zum Lesen.
Kun je dit PDF-bestand vergroten? Het is te klein om te lezen.
02
vergroten, uitbreiden
In der Größe zunehmen
Voorbeelden
Seine Augen vergrößerten sich vor Staunen.
Zijn ogen verbreedden zich van verbazing.
03
vergroten, uitbreiden
Größer werden
Voorbeelden
Die Leber vergrößert sich bei Hepatitis.
De lever vergroten bij hepatitis.



























