Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
treten
[past form: trat]
01
schoppen
Mit dem Fuß eine schnelle, kraftvolle Bewegung gegen etwas oder jemanden machen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
trete
3e persoon enkelvoud
tritt
onvoltooid deelwoord
tretend
onvoltooid verleden tijd
trat
voltooid deelwoord
getreten
Voorbeelden
Das Pferd trat nach dem Hund.
Het paard trapte naar de hond.



























