Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
tauschen
01
ruilen, wisselen
Etwas mit jemandem wechseln, um etwas anderes zu bekommen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
tausche
3e persoon enkelvoud
tauscht
onvoltooid deelwoord
tauschend
onvoltooid verleden tijd
tauschte
voltooid deelwoord
getauscht
Voorbeelden
Sie tauschten ihre Telefonnummern aus.
Zij wisselden hun telefoonnummers uit.



























