Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
starten
01
starten
Etwas beginnen oder in Gang setzen, z. B. ein Gerät, ein Programm oder ein Projekt
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
starte
3e persoon enkelvoud
startet
onvoltooid deelwoord
startend
onvoltooid verleden tijd
startete
voltooid deelwoord
gestartet
Voorbeelden
Sie startet ihr neues Projekt nächste Woche.
Ze lanceert haar nieuwe project volgende week.
02
vertrekken, in beweging komen
Sich in Bewegung setzen oder beginnen, sich fortzubewegen
Voorbeelden
Wann startet euer Flug nach Berlin?
Wanneer vertrekt jullie vlucht naar Berlijn?



























