Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
starren
[past form: starrte]
01
staren
Mit festem, oft angespanntem Blick lange auf etwas schauen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
starre
3e persoon enkelvoud
starrt
onvoltooid deelwoord
starrend
onvoltooid verleden tijd
starrte
voltooid deelwoord
gestarrt
Voorbeelden
Das Kind starrte fasziniert auf die Schaufensterpuppe.
Het kind staarde gefascineerd naar de etalagepop.



























