sprechen
sprechen
ʃpʁɛçn
shprechn
spreizensprengen

Definitie en betekenis van "sprechen"in het Duits

sprechen
01

spreken, praten

Mit jemandem eine Unterhaltung führen 
sprechen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spreche
3e persoon enkelvoud
spricht
onvoltooid deelwoord
sprechend
onvoltooid verleden tijd
sprach
voltooid deelwoord
gesprochen
Voorbeelden
Ich spreche mit meinem Lehrer. 

Ik spreek met mijn leraar.

02

spreken

Wörter oder Laute mit dem Mund erzeugen 
sprechen definition and meaning
Voorbeelden
Sprich bitte langsamer! 

Spreek alsjeblieft langzamer !

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store