sprechen
Pronunciation
/ˈʃprɛçn̩/

Definitie en betekenis van "sprechen"in het Duits

sprechen
01

spreken, praten

Mit jemandem eine Unterhaltung führen
sprechen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
spreche
3e persoon enkelvoud
spricht
onvoltooid deelwoord
sprechend
onvoltooid verleden tijd
sprach
voltooid deelwoord
gesprochen
02

spreken

Wörter oder Laute mit dem Mund erzeugen
sprechen definition and meaning
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store