Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
shoppen
01
winkelen, gaan winkelen
Einkaufen gehen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
shoppe
3e persoon enkelvoud
shoppt
onvoltooid deelwoord
shoppend
onvoltooid verleden tijd
shoppte
voltooid deelwoord
geshoppt
Voorbeelden
Wir gehen am Samstag in der Stadt shoppen.
We gaan zaterdag in de stad winkelen.



























