Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
schwanken
[past form: schwankte]
01
zwaaien, wiebelen
Sich hin und her bewegen, ohne festen Halt
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
schwanke
3e persoon enkelvoud
schwankt
onvoltooid deelwoord
schwankend
onvoltooid verleden tijd
schwankte
voltooid deelwoord
schwankt
Voorbeelden
Das Boot schwankte auf den Wellen.
De boot deinde op de golven.
02
schommelen, fluctueren
In unregelmäßigen Abständen zu- oder abnehmen
Voorbeelden
Die Wasserqualität schwankt in diesem Fluss.
De waterkwaliteit schommelt in deze rivier.
03
aarzelen, wankelen
Unentschlossen zwischen Optionen hin- und hergerissen sein
Voorbeelden
Ich schwanke noch, ob ich umziehen soll.
Ik twijfel nog of ik moet verhuizen.



























