Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
schnuppern
01
snuffelen, ruiken
Mit der Nase kurz und leicht an etwas riechen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
schnuppere
3e persoon enkelvoud
schnuppert
onvoltooid deelwoord
schnuppernd
onvoltooid verleden tijd
schnupperte
voltooid deelwoord
geschnuppert
Voorbeelden
Das Baby schnupperte neugierig an der Decke.
De baby snuifde nieuwsgierig aan de deken.



























