Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
scheiden
01
scheiden, het huwelijk ontbinden
Die Ehe offiziell beenden; sich legal trennen
Voorbeelden
Sie wollen sich bald scheiden lassen.
Ze willen snel scheiden.
02
scheiden, verdelen
etwas voneinander trennen oder auseinanderhalten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
scheide
3e persoon enkelvoud
scheidet
onvoltooid deelwoord
scheidend
onvoltooid verleden tijd
schied
voltooid deelwoord
geschieden
Voorbeelden
Der Fluss scheidet zwei Regionen.
De rivier scheidt twee regio's.



























