Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
reizen
[past form: reizte]
01
verleiden, aantrekken
Neugier, Interesse oder Begierde wecken
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
reize
3e persoon enkelvoud
reizt
onvoltooid deelwoord
reizend
onvoltooid verleden tijd
reizte
voltooid deelwoord
gereizt
Voorbeelden
Der Duft von frischem Brot reizt mich immer zum Kauf.
De geur van vers brood prikkelt me altijd om het te kopen.
02
uitdagen, irriteren
Jemanden oder Tier absichtlich ärgern oder provozieren.
Voorbeelden
Hör auf, mich zu reizen!
Stop met me te plagen!



























