Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
reizen
01
verleiden, aantrekken
Neugier, Interesse oder Begierde wecken
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
reize
3e persoon enkelvoud
reizt
onvoltooid deelwoord
reizend
onvoltooid verleden tijd
reizte
voltooid deelwoord
gereizt
Voorbeelden
Das Abenteuer reizt ihn sehr.
Het avontuur trekt hem erg aan.
02
uitdagen, irriteren
Jemanden oder Tier absichtlich ärgern oder provozieren.
Voorbeelden
Sie reizte den Hund mit einem Stock.
Ze provokeerde de hond met een stok.



























