Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
prägen
[past form: prägte]
01
embosseren, stempelen
Etwas mechanisch oder sichtbar in eine Oberfläche drücken oder eingravieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
präge
3e persoon enkelvoud
prägt
onvoltooid deelwoord
prägend
onvoltooid verleden tijd
prägte
voltooid deelwoord
geprägt
Voorbeelden
Der Name ist in Gold auf das Buchcover geprägt.
De naam is in goud op de boekomslag gestempeld.
02
diepgaand beïnvloeden, vormgeven
Etwas nachhaltig beeinflussen oder formen
Voorbeelden
Die Sprache prägt das Denken.
De taal vormt het denken.



























