praktizieren
Pronunciation
/pʁaktiˈt͡siːʁən/

Definitie en betekenis van "praktizieren"in het Duits

praktizieren
01

uitoefenen, beoefenen

Eine Tätigkeit ausüben
praktizieren definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
praktiziere
3e persoon enkelvoud
praktiziert
onvoltooid deelwoord
praktizierend
onvoltooid verleden tijd
praktizierte
voltooid deelwoord
praktiziert
Voorbeelden
Sie praktiziert täglich Achtsamkeitsübungen.
Ze beoefent dagelijks mindfulness-oefeningen.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store