Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ordnen
[past form: ordnete]
01
ordenen, rangschikken
Dinge in eine systematische Reihenfolge bringen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
ordne
3e persoon enkelvoud
ordnet
onvoltooid deelwoord
ordnend
onvoltooid verleden tijd
ordnete
voltooid deelwoord
geordnet
Voorbeelden
Kannst du bitte die Stühle ordnen?
Kun je alsjeblieft de stoelen ordenen ?



























