Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
leid tun
[past form: tat leid]
01
spijt hebben, berouwen
Mitgefühl oder Bedauern für jemanden haben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
leid
basiswerkwoord
tun
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
tue leid
3e persoon enkelvoud
tut leid
onvoltooid deelwoord
leidtunend
onvoltooid verleden tijd
tat leid
voltooid deelwoord
leidgetan
Voorbeelden
Tut es dir leid, was passiert ist?
Heb je spijt van wat er is gebeurd?



























