Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
legen
01
plaatsen, leggen
Etwas an einen bestimmten Ort stellen oder platzieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lege
3e persoon enkelvoud
legt
onvoltooid deelwoord
legend
onvoltooid verleden tijd
legte
voltooid deelwoord
gelegt
Voorbeelden
Ich lege das Handy auf den Tisch.
Ik leg de telefoon op de tafel.
02
gaan liggen, neerleggen
Sich auf den Boden oder in ein Bett legen, um zu ruhen
Voorbeelden
Ich lege mich für eine Stunde hin.
Ik ga een uur liggen.
03
leggen, een ei leggen
Ein Ei produzieren, besonders bei Vögeln
Voorbeelden
Die Katze legt keine Eier.
De kat legt geen eieren.
04
planten, in de grond zetten
Pflanzen in den Boden setzen
Voorbeelden
Sie legt die Blumen in den Garten.
Ze legt de bloemen in de tuin.
05
afnemen, bedaren
Etwas hört auf oder wird weniger intensiv
Voorbeelden
Die Wellen legen sich langsam.
De golven kalmeren langzaam.



























