Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
lahmlegen
01
verlammen, lamleggen
Etwas absichtlich oder unabsichtlich zum Stillstand bringen, funktionsunfähig machen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
lahm
basiswerkwoord
legen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lege lahm
3e persoon enkelvoud
legt lahm
onvoltooid deelwoord
lahmlegend
onvoltooid verleden tijd
legte lahm
voltooid deelwoord
lahmgelegt
Voorbeelden
Der Schneesturm legte den Flughafen lahm.
De sneeuwstorm verlamde de luchthaven.



























