Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
kraulen
[past form: kraulte]
01
zachtjes strelen, met de vingers zachtjes strijken
Sanft mit den Fingern über etwas streichen
Voorbeelden
Er krault ihren Rücken, um sie zu beruhigen.
Hij aait haar rug om haar te kalmeren.
02
crawlen, de crawl zwemmen
Eine Schwimmtechnik, bei der abwechselnd die Arme über Wasser nach vorne geworfen werden und mit den Beinen geschlagen wird
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
kraule
3e persoon enkelvoud
krault
onvoltooid deelwoord
kraulend
onvoltooid verleden tijd
kraulte
voltooid deelwoord
gekrault
Voorbeelden
Beim Triathlon muss man 1,5 km kraulen.
Bij een triatlon moet je 1,5 km crawlen.



























