kochen
Pronunciation
/ˈkɔχən/

Definitie en betekenis van "kochen"in het Duits

kochen
01

koken, eten bereiden

Essen mit Hitze zubereiten
kochen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
koche
3e persoon enkelvoud
kocht
onvoltooid deelwoord
kochend
onvoltooid verleden tijd
kochte
voltooid deelwoord
gekocht
Voorbeelden
Sie kocht gerne italienisch.
Ze houdt ervan Italiaans eten te koken.
02

koken, doorkoken

Sehr heiß werden und Blasen machen
kochen definition and meaning
Voorbeelden
Wann kocht die Suppe?
Wanneer kookt de soep?
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store