Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Die Karte
01
briefkaart, kaart
Eine Postkarte zum Verschicken
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
genitiefvorm
Karte
meervoudsvorm
Karten
Voorbeelden
Ich schicke dir eine Karte aus Italien.
Ik stuur je een kaart uit Italië.
02
menu, kaart
Das Menü im Restaurant
Voorbeelden
Kann ich bitte die Karte sehen?
Mag ik de kaart zien, alstublieft?
03
kaartje, ticket
Ein Ticket für Zug oder Kino
Voorbeelden
Meine Karte für das Konzert.
Mijn kaart voor het concert.
04
speelkaart, kaart
Spielkarte aus einem Kartenspiel
Voorbeelden
Ich mische die Karten.
Ik schud de kaarten.
05
eine kleine Plastikkarte, mit der man bargeldlos bezahlen oder Geld abheben kann
Voorbeelden
Ich bezahle mit Karte.
06
kaart, plan
Grafische Darstellung von geografischen Orten
Voorbeelden
Ich sehe auf der Karte nach.
Ik kijk op de kaart.



























