Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hängen
01
hangen, opgehangen zijn
An einem Ort befestigt sein und nicht fallen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
hänge
3e persoon enkelvoud
hängt
onvoltooid deelwoord
hängend
onvoltooid verleden tijd
hing
voltooid deelwoord
gehangen
Voorbeelden
Die Lampe hängt über dem Tisch.
De lamp hangt boven de tafel.
02
ophangen, hangen
Etwas an einem Ort befestigen, sodass es hängt
Voorbeelden
Er hängt das Poster über das Bett.
Hij hangt de poster boven het bed.



























