Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
hinlegen
01
neerleggen, gaan liggen
Etwas oder sich selbst an einen bestimmten Platz legen, oft flach auf eine Oberfläche
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
hin
basiswerkwoord
legen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lege hin
3e persoon enkelvoud
legt hin
onvoltooid deelwoord
hinlegend
onvoltooid verleden tijd
legte hin
voltooid deelwoord
hingelegt
Voorbeelden
Sie legte das Baby vorsichtig ins Bett hin.
Ze legde de baby voorzichtig in bed neer.



























