Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
gewöhnen
01
wennen, zich aanpassen
Sich an etwas Neues oder Ungewohntes langsam anpassen oder daran gewöhnen
Voorbeelden
Ich muss mich an das frühe Aufstehen gewöhnen.
Ik moet wennen aan vroeg opstaan.
02
wennen, gewoon maken
jemanden oder etwas so beeinflussen, dass er, sie oder es etwas regelmäßig tut oder akzeptiert
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
gewöhne
3e persoon enkelvoud
gewöhnt
onvoltooid deelwoord
gewöhnend
onvoltooid verleden tijd
gewöhnte
voltooid deelwoord
gewöhnt
Voorbeelden
Die Eltern gewöhnten das Kind an feste Schlafzeiten.
De ouders wenden het kind aan vaste slaaptijden.



























