Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
gefallen
01
leuk vinden, bevallen
Etwas oder jemanden mögen oder attraktiv finden
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
onregelmatig
onscheidbaar
partikel
ge
basiswerkwoord
fallen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
gefalle
3e persoon enkelvoud
gefällt
onvoltooid deelwoord
gefallend
onvoltooid verleden tijd
gefiel
voltooid deelwoord
gefallen
Voorbeelden
Die Stadt gefällt uns gut.
De stad bevalt ons goed.
02
instemmen, toestemmen
Einwilligen oder sich fügen
Voorbeelden
Sie wollte nicht gefallen.
Ze wilde niet instemmen.
Der Gefallen
01
gunst, dienst
Eine hilfsbereite Handlung
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
mannelijk
genitiefvorm
Gefallens
meervoudsvorm
Gefallen
Voorbeelden
Er hat mir einen großen Gefallen erwiesen.
Hij heeft me een grote dienst bewezen.



























