Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
formen
[past form: formte]
01
vormen
Eine physische Form durch Bearbeitung eines Materials erschaffen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
forme
3e persoon enkelvoud
formt
onvoltooid deelwoord
formend
onvoltooid verleden tijd
formte
voltooid deelwoord
geformt
Voorbeelden
Der Töpfer formt eine Vase auf der Scheibe.
De pottenbakker vormt een vaas op de draaischijf.



























