Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
fließen
[past form: floss]
01
stromen
Sich in eine Richtung kontinuierlich bewegen, meist bei Flüssigkeiten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
fließe
3e persoon enkelvoud
fließt
onvoltooid deelwoord
fließend
onvoltooid verleden tijd
floss
voltooid deelwoord
geflossen
Voorbeelden
Der Fluss fließt durch die Stadt.
De rivier stroomt door de stad.



























