Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
fassen
01
grijpen, vastpakken
Etwas oder jemanden greifen oder festhalten
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
fasse
3e persoon enkelvoud
fasst
onvoltooid deelwoord
fassend
onvoltooid verleden tijd
fasste
voltooid deelwoord
gefasst
Voorbeelden
Sie fasste ihn am Arm, um ihn zu stoppen.
Ze greep zijn arm om hem te stoppen.
02
bevatten, een capaciteit hebben
Eine Kapazität haben
Voorbeelden
Der Tank fasst 50 Liter Benzin.
De tank heeft een capaciteit van 50 liter benzine.



























