betrügen
betrügen
bətʁy:gng
bētrygng
betretenbetreuenbegnügenbeifügen

Definitie en betekenis van "betrügen"in het Duits

betrügen
01

bedriegen, misleiden

Jemanden absichtlich täuschen, um einen Vorteil zu erlangen 
betrügen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
be
basiswerkwoord
trügen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
betrüge
3e persoon enkelvoud
betrügt
onvoltooid deelwoord
betrügend
onvoltooid verleden tijd
betrog
voltooid deelwoord
betrogen
Voorbeelden
Er betrog sie mit falschen Versprechungen. 

Hij bedroog haar met valse beloften.

02

bedriegen, ontrouw zijn

Untreu sein, besonders in einer Beziehung 
betrügen definition and meaning
Voorbeelden
Er betrog seine Frau mit ihrer Kollegin. 

Hij bedroog zijn vrouw met haar collega.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store