Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
besuchen
01
bezoeken, opzoeken
Zu einer Person oder an einen Ort gehen, um Zeit dort zu verbringen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
be
basiswerkwoord
suchen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
besuche
3e persoon enkelvoud
besucht
onvoltooid deelwoord
besuchend
onvoltooid verleden tijd
besuchte
voltooid deelwoord
besucht
Voorbeelden
Wir besuchen unsere Familie in Berlin.
We bezoeken onze familie in Berlijn.
02
bijwonen, regelmatig bezoeken
An etwas teilnehmen oder regelmäßig hingehen
Voorbeelden
Die Kinder besuchen eine Schule.
De kinderen gaan naar een school.



























