Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
beschädigen
01
beschadigen, vernielen
Etwas kaputt machen oder einen Schaden verursachen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
be
basiswerkwoord
schädigen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
beschädige
3e persoon enkelvoud
beschädigt
onvoltooid deelwoord
beschädigend
onvoltooid verleden tijd
beschädigte
voltooid deelwoord
beschädigt
Voorbeelden
Das Handy ist beim Fallen beschädigt worden.
De mobiele telefoon is beschadigd bij het vallen.



























