auswirken
auswirken
aʊ̯svɪʁkng
awsvirkng

Definitie en betekenis van "auswirken"in het Duits

auswirken
01

een effect hebben, beïnvloeden

Eine Wirkung oder einen Einfluss auf etwas oder jemanden haben 
auswirken definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
wirken
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
wirke aus
3e persoon enkelvoud
wirkt aus
onvoltooid deelwoord
auswirkend
onvoltooid verleden tijd
wirkte aus
voltooid deelwoord
ausgewirkt
Voorbeelden
Die neue Regel wird sich positiv auf die Schüler auswirken. 

De nieuwe regel zal invloed hebben op de leerlingen.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store