Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
austauschen
01
vervangen, uitwisselen
Etwas durch etwas anderes ersetzen oder wechseln
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
tauschen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
tausche aus
3e persoon enkelvoud
tauscht aus
onvoltooid deelwoord
austauschend
onvoltooid verleden tijd
tauschte aus
voltooid deelwoord
ausgetauscht
Voorbeelden
Die Firma tauscht die defekten Teile aus.
Het bedrijf vervangt de defecte onderdelen.
02
uitwisselen, vervangen
Etwas mit jemandem teilen oder gegenseitig geben
Voorbeelden
Die Kinder tauschten ihre Sammelkarten aus.
De kinderen wisselden hun verzamelkaarten uit.
03
uitwisselen
Gedanken, Meinungen oder Informationen miteinander teilen und diskutieren



























