auslösen
Pronunciation
/ˈaʊ̯sˌløːzn̩/

Definitie en betekenis van "auslösen"in het Duits

auslösen
[past form: löste aus]
01

uitlokken, veroorzaken

Der Grund für eine Reaktion oder ein Ereignis sein
auslösen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
lösen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
löse aus
3e persoon enkelvoud
löst aus
onvoltooid deelwoord
auslösend
onvoltooid verleden tijd
löste aus
voltooid deelwoord
ausgelöst
Voorbeelden
Der Lärm kann Kopfschmerzen auslösen.
Het lawaai kan hoofdpijn veroorzaken.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store