Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ausführen
01
uitvoeren, verwezenlijken
Etwas praktisch umsetzen oder durchführen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
führen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
führe aus
3e persoon enkelvoud
führt aus
onvoltooid deelwoord
ausführend
onvoltooid verleden tijd
führte aus
voltooid deelwoord
ausgeführt
Voorbeelden
Wir werden den Plan nächste Woche ausführen.
We zullen het plan volgende week uitvoeren.
02
gedetailleerd uiteenzetten, ontwikkelen
Etwas ausführlich darlegen, erklären oder detailliert beschreiben
Voorbeelden
Er führte seine Theorie mit Diagrammen aus.
Hij legde zijn theorie uit met behulp van diagrammen.



























