ausfallen
Pronunciation
/ˈaʊ̯sˌfalən/

Definitie en betekenis van "ausfallen"in het Duits

ausfallen
01

worden geannuleerd, niet doorgaan

Nicht stattfinden
ausfallen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
aus
basiswerkwoord
fallen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
falle aus
3e persoon enkelvoud
fällt aus
onvoltooid deelwoord
ausfallend
onvoltooid verleden tijd
fiel aus
voltooid deelwoord
ausgefallen
Voorbeelden
Mein Flug ist ausgefallen.
Mijn vlucht is geannuleerd.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store