aufregen
aufregen
aʊ̯fʁe:gng
awfregng
aufreizenaufreißenaufrufenaufsagen

Definitie en betekenis van "aufregen"in het Duits

aufregen
01

irriteren, bedroefd maken

Jemanden nervös, wütend oder traurig machen 
Transitive
aufregen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
auf
basiswerkwoord
regen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
rege auf
3e persoon enkelvoud
regt auf
onvoltooid deelwoord
aufregend
onvoltooid verleden tijd
regte auf
voltooid deelwoord
aufgeregt
Voorbeelden
Seine Worte haben sie sehr aufgeregt. 

Zijn woorden hebben haar erg opgewonden.

02

zich opwinden, boos worden

Wütend, nervös oder traurig werden 
aufregen definition and meaning
Voorbeelden
Ich rege mich über Kleinigkeiten auf. 

Ik erger me aan kleinigheden.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store