Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
anrufen
01
bellen, opbellen
Anrufen bedeutet, jemanden per Telefon zu kontaktieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
rufen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
rufe an
3e persoon enkelvoud
ruft an
onvoltooid deelwoord
anrufend
onvoltooid verleden tijd
rief an
voltooid deelwoord
angerufen
Voorbeelden
Ich werde dich morgen anrufen.
Ik zal je morgen bellen.
02
oproepen, een beroep doen op
jemanden bitten, aktiv zu helfen oder vermittelnd einzugreifen
Voorbeelden
In dieser Situation mussten wir einen Anwalt anrufen.
In deze situatie moesten we een advocaat bellen.



























